Onze eerste kennismaking met Istanbul begint eigenlijk met katten. Nog voordat we echt iets van de stad hebben gezien, lopen de eerste al langs onze voeten. Ze liggen op stoepjes, slapen op scooters of zitten midden op een terras alsof ze er zelf een tafel hebben gereserveerd. Niemand lijkt zich eraan te storen. Sterker nog, het lijkt bijna alsof de stad een stilzwijgende afspraak met ze heeft: jullie mogen hier overal rondlopen.
Het voelt meteen als een stad waar het leven zich grotendeels buiten afspeelt. Mensen drinken thee op kleine krukjes, winkeliers praten met elkaar op straat en ergens in de verte klinkt voortdurend verkeer, geroezemoes en het geluid van een stad die eigenlijk nooit helemaal stilvalt.
Dwalen door de bazaars
Onze eerste echte verkenning begint in het historische centrum, waar de Egyptische Bazaar en de Grand Bazaar al eeuwenlang het commerciële hart van de stad vormen. Sinds de Ottomaanse tijd komen handelaren hier samen om kruiden, stoffen, sieraden en zoetigheden te verkopen, en dat is nog steeds goed te merken.
De bazaars voelen minder als een markt en meer als een klein doolhof. Straatjes vol lampen, kleden en stapels kruiden lopen kriskras door elkaar en na een paar minuten hebben we eigenlijk geen idee meer waar we precies lopen.
Tussen al dat rondkijken door nemen we even pauze voor Turkse koffie en baklava. Sterk, zoet en precies wat je op zo’n plek verwacht. Daarna wandelen we verder richting een paar grote pleinen waar universiteitsgebouwen, moskeeën en musea dicht bij elkaar liggen.
Onder de koepel van de Hagia Sophia
De Hagia Sophia staat natuurlijk hoog op ons lijstje. Dat geldt alleen ook voor ongeveer iedereen die Istanbul bezoekt. Wanneer we er ’s ochtends aankomen staat er een rij die volgens de borden ergens tussen de 45 en 60 minuten wachttijd ligt. Dat voelt op dat moment iets te ambitieus voor ons geduld, dus we besluiten later nog eens terug te komen. Dat blijkt een goede keuze: een paar uur later lopen we er in vijf minuten naar binnen.
De Hagia Sophia werd in de zesde eeuw gebouwd in opdracht van de Byzantijnse keizer Justinianus en was eeuwenlang de grootste kerk van de christelijke wereld. Toen de Ottomanen Constantinopel in 1453 veroverden, werd het gebouw omgevormd tot moskee. Een rol die het vandaag opnieuw vervult.
Binnen voelt de ruimte bijna onmogelijk groot. De enorme koepel lijkt hoger te hangen dan je verwacht en overal zie je sporen van verschillende tijdperken. Christelijke mozaïeken naast islamitische kalligrafie, marmeren vloeren waar al eeuwen mensen overheen lopen.
Moskeeën en rustige straatjes
Na een paar drukke highlights zoeken we het wat rustiger op. Istanbul heeft natuurlijk zijn beroemde plekken, maar juist de kleinere moskeeën en straatjes voelen vaak een stuk relaxter. We slaan af waar het er interessant uitziet en stappen af en toe een moskee binnen waar nauwelijks andere bezoekers zijn. Dat levert onverwacht rustige momenten op. Soms lukt het zelfs om foto’s te maken zonder dat er iemand door het beeld loopt. In een stad als Istanbul voelt dat bijna als een kleine prestatie.
Op een van die momenten belanden we ineens bij een bruiloft. Niet gepland, niet opgezocht, gewoon omdat we ergens langs lopen waar muziek klinkt en mensen feest vieren. We blijven even staan kijken. Voor hen een gewone zaterdagmiddag, voor ons een onverwacht inkijkje in het dagelijks leven van de stad.
De Blauwe Moskee en Ottomaanse ambitie
Voor de Blauwe Moskee zetten we de wekker vroeg, in de hoop de drukte een beetje voor te zijn. Dat plan blijkt iets optimistisch, want ook rond negen uur staan er al flink wat bezoekers te wachten.
De officiële naam van de moskee is Sultan Ahmed Moskee, vernoemd naar de Ottomaanse sultan die het gebouw in de zeventiende eeuw liet bouwen. De bijnaam “Blauwe Moskee” komt van de duizenden blauwe Iznik-tegels die het interieur sieren. Het gebouw werd bewust vlak naast de Hagia Sophia geplaatst, als een soort architectonisch statement van het Ottomaanse rijk.
Binnen zorgen de koepels, bogen en blauwe patronen voor een indrukwekkend geheel. Tegelijkertijd blijft het een actieve gebedsplek, waardoor bezoekers zich moeten aanpassen aan de religieuze gebruiken en openingstijden.
Een moskee boven de stad
Een van de plekken waar we later nog naartoe lopen is de Süleymaniye-moskee. Deze moskee ligt hoger op een van de heuvels van Istanbul en voelt daardoor meteen rustiger dan de drukte rond Sultanahmet.
De moskee werd in de zestiende eeuw gebouwd in opdracht van sultan Süleyman de Grote en ontworpen door de beroemde Ottomaanse architect Mimar Sinan. Lange tijd was dit zelfs de grootste moskee van de stad. Vanaf de binnenplaats heb je bovendien uitzicht over de stad en de Bosporus, wat het een van de fijnere plekken maakt om even rustig rond te kijken.
Paleizen, ferry’s en kleurrijke straten
Wanneer we richting het Dolmabahçe-paleis wandelen, wordt meteen duidelijk hoe rijk het Ottomaanse rijk ooit was. Het paleis werd in de negentiende eeuw gebouwd als nieuwe residentie van de sultans en combineert Ottomaanse architectuur met Europese invloeden. Binnen volgen enorme zalen, kroonluchters en rijk versierde kamers elkaar in hoog tempo op. In de tuinen blijven we daarna nog even zitten met uitzicht op het water, waar de ferry’s langzaam voorbij varen.
Later stappen we zelf ook op zo’n ferry richting Balat, een wijk die bekendstaat om zijn kleurrijke huizen. Volgens veel reisblogs een soort verborgen plek in Istanbul. Eenmaal aangekomen blijkt dat vrij veel mensen datzelfde idee hebben gehad. Maar eerlijk is eerlijk: het is ook gewoon een vrolijke buurt. Pastelkleurige gevels, kleine cafés en straatjes waar het heerlijk rondslenteren is.

You may also like

Back to Top